|
Foto Rob van Hilten
|
|
|
Anna Cramer Anna Cramer was een tijdgenoot van Gustav Mahler, zij schreef haar liederen op.4 rond 1910, aan het einde van Mahler’s leven, in het jaar dat hij Leiden bezocht voor een psychoanalyse bij Freud (die vakantie had in Noordwijk) .
Anna Cramer groeide op met een jongere zuster, Albertina; twee andere kinderen
in het gezin overleden jong. Anna werd Nederlands Hervormd gedoopt, zoals haar
moeder; Albertina daarentegen Hersteld Luthers, zoals haar vader. Het gezin
Cramer verhuisde vaak: in 1882 van Amsterdam naar Baarn, in 1883 terug naar
Amsterdam en het jaar daarop weer naar Hilversum. Eind 1888 - Anna was toen
vijftien - overleed haar vader. Een jaar later vertrok de weduwe Cramer met haar
twee dochters naar Haarlem. Van 1893 tot 1897 stond Anna in Amsterdam
ingeschreven op Keizersgracht 369 als dienstbode.
In deze jaren studeerde zij ook aan het Amsterdamsch Conservatorium: in
1895-1896 als pianostudente. Van wie zij les kreeg is niet bekend. Misschien
studeerde zij ook compositie; in 1896 stonden in ieder geval twee liederen van
haar op een studentenconcert geprogrammeerd met de vermelding 'Leerlinge der
compositie-klasse'. In 1897 verliet zij het conservatorium met een pianodiploma
op zak.
Zoals vele Nederlandse musici ging Cramer hierna naar Berlijn, waar zij
compositie studeerde bij Wilhelm Berger. Pas in 1903 werd een compositie van
haar uitgegeven: het lied 'Wenn die Linde blüht' op tekst van Carl Busse. Dat
jaar namelijk hield het tijdschrift Die Woche een wedstrijd waarbij dit lied als
een van dertig liederen uit bijna 9.000 inzendingen werd gekozen voor publicatie.
Ook werd haar foto opgenomen met de mededeling dat zij muziek studeerde in
Meiningen, waarschijnlijk nog bij Wilhelm Berger, die naar deze stad was
verhuisd.
Tussen 1906 en 1909 zijn er concerten in Amsterdam gegeven met haar liederen,
waar zeer positief over werd geschreven.
Over Cramers leven tussen 1910 en 1925 is weinig bekend. In 1917 werd zij
ingeschreven als inwoner van München, maar in 1921 en 1924 bevond zij zich weer
enige tijd in Berlijn. In 1925 vertrok Cramer naar Wenen, waar zij samenwerkte
met de zestien jaar jongere zanger, dichter en componist Walter Simlinger. In de
Oostenrijkse hoofdstad ontstonden haar grotere werken: twee komische opera's:
Der letzte Tanz (circa 1926/1927) en Dr. Pipalumbo (circa 1926/1927),
waarvoor Simlinger de teksten schreef. Ook componeerde Cramer 'Zigeunerlied'
(circa 1926/1930) voor tenor, viool, gemengd koor en orkest. Terwijl haar vroege
ernstige liederen inderdaad doen denken aan de late Richard Strauss of de vroege
liederen van Dirk Schäfer, werd haar compositiestijl nu uitgebreid met Kurt
Weill-achtige elementen, zoals in Simlingers 'Troubadour-Ständchen', terwijl
'Episode' op een tekst van Max Rosenfeld cabarettrekjes vertoont. Een aantal
liederen, waaronder 'Flieder' en 'Spruch', werd door Cramer lager getransponeerd,
zodat zij gemakkelijker door een bariton konden worden gezongen. Dit gebeurde
waarschijnlijk ten behoeve van Simlinger; in een van haar latere brieven
refereerde zij namelijk aan zijn uitvoeringen. Uit haar correspondentie blijkt
overigens dat er tussen Cramer en Simlinger 'niets anders dan een werkrelatie'
bestond (Landheer, 55).
Toen Simlinger eind jaren twintig naar Berlijn verhuisde en later de
maandelijkse toelage van haar moeder uitbleef, kwam Cramer in financiële
problemen. In 1930 werd zij korte tijd onvrijwillig opgenomen in een
psychiatrische kliniek met de diagnose paranoia. Kort daarna keerde zij -
inmiddels 57 jaar oud - uit Wenen terug naar Nederland, waar ze in Amsterdam een
teruggetrokken leven leidde. Cramer stond officieel ingeschreven als 'componiste',
maar voor zover bekend onderhield ze geen contacten met het Nederlandse
muziekleven. Over haar financiële situatie is weinig bekend. Wel onderwierp zij
in alle afzondering haar muziekmanuscripten aan eindeloze revisies, met op het
origineel geplakte stukjes papier, soms in verscheidene lagen. Ook bewerkte zij
reeds uitgegeven muziek en de manuscripten van de piano-uittreksels van haar
twee opera's.
Aangezien zij zichzelf verwaarloosde werd Anna Cramer in 1960 gedwongen te
verhuizen naar een verpleeghuis in Blaricum. Daar stierf zij kort voor haar
95ste verjaardag. Na haar dood kwam een koffer met haar eindeloos bewerkte
muziekmanuscripten boven water, die zij al in 1958 in een kluis van de
Nederlandsche Handel-Maatschappij in Amsterdam had gedeponeerd.
Anna Cramer was door haar jarenlange verblijf in Berlijn en Wenen goed op de
hoogte van de nieuwste compositorische ontwikkelingen. Maar omdat haar contacten
met Nederlandse musici niet lang hebben standgehouden, alsook door haar
teruggetrokken levenswijze raakte zij al lang voor haar dood in de vergetelheid.
Deze droge opsomming van feiten doet geen recht aan de kwaliteit van haar
liederen.
Er is een opname, op aandringen van haar her-ontdekker Noske maakten Rachel Ann
Morgan en Marjet Benoist in 1990 een opname (nog steeds de enige) met haar
liederen. De kwaliteit is hoog, en niet alleen naar Nederlandse
maatstaven, pakweg tussen Richard Strauss en Mahler. Als je Strauss met “Des
Knaben Wunderhorn “ zou
verbinden kom je op die lijn Anna Cramer tegen. Niet vernieuwend zoals de Tweede
Weense School, maar van hoge kwaliteit. Haar persoonlijke verhaal is intens
triest, armoede, het dolhuis, paranoia, waarschijnlijk schizofrenie, gedwongen
opnames enz. spelen een centrale rol.
|
Stuur uw reacties over deze website naar:
webmaster@leiderdorpskamerorkest.nl
|